Vocabulum Online Overhoren


Woordenlijst: hoofdstuk 3

Nederlands - Frans

Naam: hoofdstuk 3

Omschrijving:

Toegevoegd op: dinsdag 22 april 2008

Categorie: Basiswoordenschat

 

Primaire taal: Nederlands

Secundaire taal: Frans

 

Aantal keer gedownload: 151

Aantal keer overhoord: 33

 

AddThis Social Bookmark Button
Nederlands Opmerking (Nederlands) Frans Opmerking (Frans)
1 er is/zijn il y a
2 Er is hier ook een supermarkt. ici, il y a aussi un supermarché.
3 Hij is er niet. il n’est pas là.
4 hier ici
5 ergens quelque part
6 overal partout
7 nergens nulle part
8 daarginds là-bas
9 vooraan en tête
10 binnen dedans
11 naar binnen en intérieur
12 boven en haut
13 links gauche
14 in het midden au milieu de
15 halverwege à mi-chemin
16 naast à côté de
17 tussen entre
18 op sur
19 rondom de kerk autour de l’église
20 in het begin au début
21 boven het raam au dessus de la fenêtre
22 onder het raam sous la fenêtre
23 in het noorden dans le nord de
24 ten zuiden van au sud de
25 het zuiden le sud
26 het westen l’ouest
27 het noorden le nord
28 het oosten l’est
29 thuis à la maison
30 naar huis rentre chez-soi
31 tot hoe ver? jusqu’où
32 in de buurt van près de
33 waar vandaan? d’où?
34 heen aller
35 tot jusqu’ à/ au
36 vanaf à partir de
37 achter derrière
38 voor pour
39 Hoe kan ik … Comment je peux ...?
40 van 3 t/m 8 juli du 3 au 8 juillet
41 ooit jamais, un jour
42 Hoe laat is het? Quelle heure est-il?
43 het is zeven uur Il est 7 heures
44 een kwartier un quart d’heure
45 Ik kom om kwart voor zes J’arriverai à 6 heures moins le quart.
46 kwart over vijf cinq heures et quart
47 de ochtend le matin
48 's ochtends l’après-midi
49 de middag l’après-midi
50 de namiddag l’après-midi
51 de avond le soir
52 de nacht la nuit
53 de dag le jour
54 de week la semaine
55 de maand le mois
56 het jaar l’an
57 maandag lundi
58 dinsdag jeudi
59 woensdag mercredi
60 donderdag jeudi
61 vrijdag vendredi
62 zaterdag samedi
63 zondag dimanche
64 het weekeinde le week-end
65 in het weekend dans le week-end
66 met kerstmis à Noël
67 met pasen à Pâques
68 met Pinksteren à Pentecôte
69 oud- en nieuw le Saint-Sylvestre
70 de eeuw le siècle
71 welke datum hebben we vandaag? On est quelle date aujourd’hui?
72 Hij is pas 8. Il a juste 8 ans.
73 nu maintenant
74 vandaag aujourd’hui
75 gisteren hier
76 overmorgen après-demain
77 vanochtend ce matin
78 morgenochtend demain matin
79 komende week la semaine prochaine
80 vroeger autrefois
81 al déjà
82 nog encore
83 voordat avant que
84 Toen ik binnenkwam, ... en entrant ...
85 eerst … dan d’abord … alors
86 ondertussen entre-temps
87 als … dan si ... que
88 op het moment au moment
89 de helft la moitié
90 hoeveel? combien?
91 elke chaque
92 enkele quelques
93 meer dan plus que
94 minder dan moins que
95 bijna prèsque
96 Ik blijf maar een week. Je reste q’une semaine.
97 minimaal - maximaal minimum
98 een beetje un peu
99 altijd toujours
100 nadat après que
101 tegenwoordig actuellement
102 morgen demain
103 later plus tard
104 nooit jamais
105 maximaal maximum
106 tegen contre
107 voor (tijd) avant
108 terug retour
109 onder sous
110 rechts droite
111 aan het eind à la fin
112 beneden en bas
113 achteraan en arrière
114 daar(ginds) là-bas
115 buiten dehors
116 naar buiten en extérieur
Vocabulum Online Overhoren help

Help voor deze pagina:

Lijsten kopieëren en overnemen

Copyright © 2006 - 2015 Vereyon  |  Twitter  |  Hoogste spaarrente  |  Rente vergelijken